ECLI:NL:RVS:2014:4515
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling persoonlijke deelname vreemdeling aan misdrijven Hezb-i-Wahdat en bevestiging inreisverbod
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen en waartegen hij beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling als hoofd van een logistieke afdeling van de Hezb-i-Wahdat een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan misdrijven gepleegd door deze strijdkrachten, waarmee sprake is van 'personal participation' in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank had dit ten onrechte niet erkend.
Verder werd vastgesteld dat het inreisverbod rechtsgevolgen heeft waardoor de vreemdeling geen belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen de verblijfsvergunning, waardoor dit deel niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het inreisverbod zelf werd ongegrond verklaard, mede gelet op de ernst van de misdrijven en de belangenafweging met het familie- en gezinsleven van de vreemdeling.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en bevestigde het inreisverbod, waarbij ook werd overwogen dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet naar Iran kon vertrekken, en dat de belangen van het algemeen belang zwaarder wegen dan het familiebelang in Nederland.
Uitkomst: Het beroep tegen de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.