ECLI:NL:RVS:2014:4253
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning antennemast vanwege onevenredige afbreuk aan woonomgeving
Het college van burgemeester en wethouders van Epe weigerde aan appellant een omgevingsvergunning voor het bouwen van een antennemast van circa 20 meter aan de rand van zijn perceel in Emst. De weigering was gebaseerd op het bestemmingsplan dat een maximale bouwhoogte van 2 meter voorschrijft voor bouwwerken die niet ten dienste staan van de bestemming, met een uitzondering voor zendmasten tot 40 meter. Het college verleende geen vrijstelling vanwege de onevenredige afbreuk aan het straat- en bebouwingsbeeld.
Appellant stelde dat het college hem niet in de gelegenheid had gesteld zijn aanvraag aan te passen aan het advies van het Gelders Genootschap, dat een andere plaatsing achter de woning adviseerde. De Raad oordeelde dat deze wijziging te ingrijpend was om als hetzelfde bouwplan te worden beschouwd, waardoor het college niet verplicht was de aanvraag te laten aanpassen.
Verder voerde appellant aan dat de maximale bouwhoogte vanwege strijd met artikel 10 EVRM Pro (vrijheid van meningsuiting) buiten toepassing moest worden gelaten. De Raad stelde dat de weigering een inmenging vormt in de vrijheid van meningsuiting, maar dat deze inmenging wettelijk is voorzien en noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van omwonenden. Het college had terecht geoordeeld dat de antennemast een grote impact heeft op de woonomgeving en dat een vergunningsvrij alternatief beschikbaar is.
De Raad concludeerde dat het college de belangen van omwonenden zwaarder mocht laten wegen dan het belang van appellant en bevestigde het vonnis van de rechtbank dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de antennemast en verklaart het hoger beroep ongegrond.