ECLI:NL:RVS:2014:3798

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2014
Publicatiedatum
22 oktober 2014
Zaaknummer
201401140/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • R. van der Spoel
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.46 lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 7:12 AwbArt. 8:54 lid 1 AwbArt. 85 lid 1 en 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit uitstel van vertrek vreemdeling wegens onredelijk beleid

De vreemdeling had op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 uitstel van vertrek gekregen tijdens zijn ziekenhuisopname. Na beëindiging van deze opname beëindigde de staatssecretaris het uitstel van rechtswege, wat de vreemdeling betwistte als onredelijk beleid. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het beleid onredelijk is omdat vreemdelingen vaak pas kort voor het einde van hun opname worden geïnformeerd, waardoor zij niet tijdig een nieuwe aanvraag kunnen indienen en een verblijfsgat ontstaat. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.

De Raad vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris en verklaarde het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak benadrukt het belang van redelijkheid in het vreemdelingenbeleid en de noodzaak om te voorkomen dat medische omstandigheden leiden tot onbedoelde verblijfsgaten.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onredelijk beleid.

Uitspraak

201401140/1/V1.
Datum uitspraak: 17 oktober 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 9 januari 2014 in zaken nrs. 12/35390 en 13/1757 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, ingewilligd en hem uitstel van vertrek verleend voor de duur van zijn opname, met ingang van 31 oktober 2012 tot een maximum van een half jaar.
Bij besluit van 21 december 2012 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 januari 2014 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. In grief I betoogt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het beleid van de staatssecretaris om het aan een vreemdeling op grond van zijn ziekenhuisopname verleende uitstel van vertrek bij beëindiging van deze opname van rechtswege te laten eindigen, onredelijk is. Hij voert daartoe aan dat een vreemdeling veelal pas daags voor de beëindiging van de ziekenhuisopname over deze beëindiging wordt geïnformeerd, in welk geval hij niet in staat is tijdig een nieuwe aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000 in te dienen. Volgens de vreemdeling ontstaat in dat geval een verblijfsgat en duurt het langer voordat de desbetreffende vreemdeling in aanmerking kan komen voor de in artikel 3.46, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 opgenomen vrijstelling, terwijl diens medische situatie mogelijk voortduurt.
2.1. Deze rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (bij uitspraak van 30 september 2014 in zaak nr. 201400613/1/V1) beantwoord. Uit overweging 2.3. van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grief slaagt.
3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 december 2012 alsnog gegrond worden verklaard en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.
5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 9 januari 2014 in zaak nr. 13/1757;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 december 2012, kenmerk 275.490.2078;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Oudeboon-van Rooij
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2014
487.