ECLI:NL:RVS:2014:3664
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 7 augustus 2014 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 29 augustus 2014 het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State was exclusief bevoegd om dit verzoek in behandeling te nemen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen zijn feitelijke uitzetting, die gepland stond voor 22 september 2014, maar de staatssecretaris gaf aan dat deze uitzetting niet zou doorgaan.
De voorzitter oordeelde dat het besluit van 7 augustus 2014 weliswaar voor uitvoering vatbaar was, maar dat er geen spoedeisend belang bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat onduidelijk was of en wanneer de uitzetting zou plaatsvinden. Het verzoek werd daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdeling wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.