ECLI:NL:RVS:2014:3476
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- G. Snijders
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en afwijzing van vergoeding planschade na aanleg Westerscheldetunnel
Bij afzonderlijke besluiten van 18 oktober 2011 wees het college de aanvragen van appellanten om vergoeding van planschade af. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die deze besluiten vernietigde, stelde het college nieuwe besluiten vast waarin een schadevergoeding werd toegekend. Appellanten stelden dat de berekening onjuist was, onder meer omdat de tunnel en veerdienst niet naast elkaar konden bestaan en de peildatum verkeerd was vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de peildatum voor de schadeberekening correct was vastgesteld op 3 april 1997, het moment waarop het bestemmingsplan rechtskracht kreeg. De adviezen van deskundige Rijk werden als zorgvuldig beoordeeld, ondanks kritiek van appellanten. De Afdeling oordeelde dat het college terecht de schadevergoeding had vastgesteld en wees de beroepen tegen de besluiten van 25 maart 2014 af.
De Afdeling vernietigde echter het deel van de uitspraak van de rechtbank dat bepaalde dat de rechtsgevolgen van de besluiten van 27 maart 2012 in stand bleven. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, eerdere uitspraak deels vernietigd, maar de beroepen tegen de schaderegeling afgewezen en het college veroordeeld tot proceskostenvergoeding.