ECLI:NL:RVS:2014:2902
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring en medische indicatie voor laag gelegen woning
Appellant heeft een verzoek ingediend voor een urgentieverklaring en een medische indicatie voor een laag gelegen woning, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam zijn afgewezen. De rechtbank heeft deze afwijzing bevestigd, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellant voldoet aan de voorwaarden voor urgentie, waaronder een minimale inschrijfduur van twee jaar in Amsterdam en het ontbreken van eigen schuld aan de urgente woonsituatie. Appellant stelde dat hij door werkloosheid en een verstoorde relatie met zijn moeder in een urgente situatie verkeert, maar de Raad van State oordeelde dat hij niet heeft aangetoond dat hij buiten eigen schuld in deze situatie verkeert en dat hij niet voldoet aan de inschrijfduur.
Daarnaast is betwist of appellant recht heeft op een medische indicatie voor een laag gelegen woning. De Raad van State concludeert dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn woonsituatie levensbedreigend of -ontwrichtend is, mede omdat hij nog steeds bij zijn moeder woont en geen bewijs leverde van een dreigende ontruiming.
Ten slotte is de toepassing van de hardheidsclausule aan de orde geweest. De Raad van State stelt dat het college deze discretionaire bevoegdheid terughoudend mag toepassen en dat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond die een afwijking rechtvaardigen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring en medische indicatie bevestigd.