ECLI:NL:RVS:2014:2811
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen vernietiging omgevingsvergunning woningbouw te Breda
Het college van burgemeester en wethouders van Breda verleende op 1 februari 2013 een omgevingsvergunning aan persoon A voor het bouwen van een woning op een perceel te Breda. Tegen dit besluit maakte wederpartij bezwaar, dat door het college op 29 mei 2013 gegrond werd verklaard, waarna het oorspronkelijke besluit werd herroepen en de aanvraag buiten behandeling werd gesteld.
Wederpartij stelde beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die op 1 mei 2014 het besluit van 29 mei 2013 vernietigde, het besluit van 1 februari 2013 herroept en het college opdroeg een nieuw besluit te nemen. Het college stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening, zodat het college in afwachting van de uitspraak op hoger beroep geen gevolg hoefde te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
De voorzitter behandelde het verzoek op 10 juli 2014 en oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het nemen van een nieuw besluit door het college zou geen onomkeerbare gevolgen hebben en de uitspraak van de rechtbank en het nieuwe besluit konden in de bodemprocedure samen worden beoordeeld. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van wederpartij tot een bedrag van €1.291,90, inclusief kosten voor rechtsbijstand en reiskosten, waarbij voor reiskosten werd uitgegaan van openbaar vervoer en slechts één van de gezamenlijk procederende personen recht had op vergoeding van verletkosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.