ECLI:NL:RVS:2014:2359
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over onevenredige legesheffing voor langdurig ingezetenen
De zaak betreft hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de hoogte van leges voor verlenging van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd aan langdurig ingezetenen en hun gezinsleden. De vreemdelingen stelden dat het legestarief van €130 per persoon geen wettelijke grondslag had en in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel en EU-richtlijn 2003/109.
De Afdeling overwoog dat de legesheffing een beoordelingsmarge kent, maar dat deze niet onbeperkt is en geen belemmering mag vormen voor de uitoefening van de rechten volgens richtlijn 2003/109. Het totaalbedrag van €520 voor het gezin werd als aanzienlijk en belemmerend aangemerkt, mede omdat jaarlijks opnieuw leges betaald moeten worden. De staatssecretaris kon niet aantonen dat dit bedrag geen belemmering vormde.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de legesheffing onevenredig is en het nuttig effect van de richtlijn kan ontnemen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en betaling van griffierecht. Het hoger beroep en incidenteel hoger beroep werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep en incidenteel hoger beroep zijn ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.