ECLI:NL:RVS:2014:2270

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2014
Publicatiedatum
25 juni 2014
Zaaknummer
201305600/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
richtlijn 2003/109/EGWet openbaarheid van bestuurGemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en legesgeschil

Bij verschillende besluiten van 4 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie de aanvragen van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen de hoogte van de leges, waarop de staatssecretaris op 6 februari 2013 het legesbedrag verlaagde naar €130 per persoon en het teveel betaalde bedrag restitueerde.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep voerden zij aan dat ten tijde van hun aanvraag geen wettelijke grondslag bestond voor het legestarief, dat de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie niet gevolgd was, en dat het legesbedrag in strijd was met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat deze grieven niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bevestigde het vonnis en oordeelde dat het legesbedrag voldoende was gemotiveerd en geen belemmering vormde voor de uitoefening van de rechten onder richtlijn 2003/109/EG. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201305600/1/V1.
Datum uitspraak: 17 juni 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[vreemdeling A] en [vreemdeling B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 mei 2013 in zaak nr. 10/20139 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris).
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 4 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 6 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het door de vreemdelingen gemaakte bezwaar tegen de hoogte van de leges gegrond verklaard, het legesbedrag verlaagd naar € 130,00 per persoon en het teveel betaalde bedrag van € 142,00 gerestitueerd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. W.P.C. de Vries, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris word tevens verstaan: zijn rechtsvoorgangers.
2. In hun grieven klagen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan hun betoog dat ten tijde van de indiening van hun aanvragen op 12 november 2009 een wettelijke grondslag voor een legestarief van € 130,00 per persoon ontbrak, ten onrechte de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie in C-508/10 van 19 januari 2012 (www.curia.europa.eu) niet is gevolgd, ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris met zijn verwijzing naar zijn brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 4 juli 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 30 573, nr. 108) het legesbedrag van € 130,00 voldoende heeft gemotiveerd, en ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat dit legesbedrag geen belemmering vormt voor de uitoefening van de door richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004 L 16) toegekende rechten en niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
3. De grieven leiden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201401261/1/V1, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Idema
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2014
512.