ECLI:NL:RVS:2014:2270
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en legesgeschil
Bij verschillende besluiten van 4 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie de aanvragen van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen de hoogte van de leges, waarop de staatssecretaris op 6 februari 2013 het legesbedrag verlaagde naar €130 per persoon en het teveel betaalde bedrag restitueerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning ongegrond. De vreemdelingen stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep voerden zij aan dat ten tijde van hun aanvraag geen wettelijke grondslag bestond voor het legestarief, dat de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het Hof van Justitie niet gevolgd was, en dat het legesbedrag in strijd was met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat deze grieven niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bevestigde het vonnis en oordeelde dat het legesbedrag voldoende was gemotiveerd en geen belemmering vormde voor de uitoefening van de rechten onder richtlijn 2003/109/EG. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.