ECLI:NL:RVS:2014:2164
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 3 oktober 2012 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig was vanwege onvoldoende concrete informatie over het moment van het gestelde auto-ongeluk, dat de kern van het asielrelaas vormt. De staatssecretaris mocht zich op het standpunt stellen dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht had.
Daarnaast werd onderzocht of de vreemdeling vanwege zijn koptisch-christelijke achtergrond in Egypte recht had op asiel. Hoewel uit documenten blijkt dat christenen in Egypte problemen ondervinden, leidt dit niet tot een recht op verblijfsvergunning voor iedere christen. Het beroep faalde op dit punt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.