ECLI:NL:RVS:2014:1860
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onrechtmatigheid en schadevergoeding wegens niet-betrekken medische brieven
De vreemdeling werd bij besluit van 18 maart 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat de staatssecretaris de door hem overgelegde medische brieven van de GGZ-instelling Altrecht niet had betrokken bij de belangenafweging voorafgaand aan de oplegging van de bewaring, waardoor de maatregel onrechtmatig was. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak waarin de medische situatie reeds was beoordeeld, maar de Afdeling stelde vast dat de brieven niet waren betrokken bij de belangenafweging voor de maatregel van 18 maart 2014.
De Afdeling oordeelde dat de maatregel vanaf die datum in redelijkheid niet gerechtvaardigd was en kende de vreemdeling schadevergoeding toe over de periode van 18 maart 2014 tot 7 mei 2014, de dag waarop de bewaring werd opgeheven. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard, de bewaring onrechtmatig bevonden en een schadevergoeding toegekend.