ECLI:NL:RVS:2013:CA0605
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- J.J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 25 november 2011 werd afgewezen omdat België verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van het asielverzoek. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die dit hoger beroep op 17 januari 2013 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling verzocht om herziening van deze uitspraak op grond van nieuwe feiten en omstandigheden die bij de Afdeling niet waren betrokken, waaronder een brief van 19 april 2012 waarin brieven van de staatssecretaris werden overgelegd waaruit bleek dat Nederland het asielverzoek inhoudelijk zou behandelen. De Afdeling constateerde dat deze stukken niet waren betrokken bij de eerdere beoordeling, maar oordeelde dat dit niet tot herziening kon leiden. Wel verklaarde zij de eerdere uitspraak vervallen en besloot het hoger beroep opnieuw te beoordelen.
Bij de hernieuwde beoordeling stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling inmiddels inhoudelijk had behandeld, waardoor het doel van het hoger beroep was bereikt. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk was. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wees het verzoek tot herziening af, verklaarde de eerdere uitspraak vervallen en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot herziening wordt afgewezen.