ECLI:NL:RVS:2013:BZ8714
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt alsnog verblijfsvergunning asiel vanwege risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar China
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 13 april 2012 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het daarop ingestelde beroep op 4 mei 2012 ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij als Tibetaan bij terugkeer naar China een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie waarin was vastgesteld dat nader onderzoek vereist is alvorens te concluderen dat Tibetanen geen risico lopen.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd, en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Het besluit van de minister werd vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.416,00.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van het risico op schending van fundamentele rechten bij terugkeer in asielzaken, met name voor kwetsbare groepen zoals Tibetanen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.