ECLI:NL:RVS:2013:BZ8714

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
201204819/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling krijgt alsnog verblijfsvergunning asiel vanwege risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar China

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 13 april 2012 werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het daarop ingestelde beroep op 4 mei 2012 ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij als Tibetaan bij terugkeer naar China een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie waarin was vastgesteld dat nader onderzoek vereist is alvorens te concluderen dat Tibetanen geen risico lopen.

Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd, en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Het besluit van de minister werd vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 1.416,00.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige beoordeling van het risico op schending van fundamentele rechten bij terugkeer in asielzaken, met name voor kwetsbare groepen zoals Tibetanen.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

201204819/1/V2.
Datum uitspraak: 2 april 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 mei 2012 in zaak nrs. 12/12387 en 12/12389 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. Hetgeen als eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
3. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Tibetaan bij terugkeer naar China te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
3.1. In de uitspraak van 9 januari 2013 (zaak nr. 201109034/1/V2) heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat Tibetanen geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar China. Die overwegingen zijn ook in dit geval van toepassing. De voorzieningenrechter heeft het beroep van de vreemdeling derhalve ten onrechte ongegrond verklaard.
De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 13 april 2012 alsnog gegrond verklaren en het besluit wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb vernietigen.
5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 4 mei 2012 in zaak nr. 12/12387;
III. verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 13 april 2012, kenmerk K1-459940607.
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Bosma
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013
572-681.