ECLI:NL:RVS:2013:BZ8407
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H. van Kreveld
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot intrekking vergunning veehouderij op grond van Natuurbeschermingswet 1998
Appellanten verzochten het college van gedeputeerde staten van Drenthe om intrekking van een vergunning verleend aan een vergunninghouder voor een veehouderij, op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Het college wees dit verzoek af en verklaarde het daaropvolgende bezwaar ongegrond. Appellanten stelden dat de vergunning onjuist was verleend, onder meer vanwege onvolledige gegevens en gewijzigde omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat intrekking van een vergunning een discretionaire bevoegdheid is die pas kan worden uitgeoefend indien een van de wettelijke intrekkingsgronden aanwezig is. De aangevoerde gronden, waaronder onjuiste gegevens, gewijzigde omstandigheden en strijd met wettelijke voorschriften, werden niet aannemelijk gemaakt. De reeds verleende vergunning was in rechte onaantastbaar geworden, en het college mocht het belang van rechtszekerheid voor de vergunninghouder zwaar laten wegen.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat zonder nieuwe feiten of omstandigheden een verzoek tot intrekking van een onherroepelijke vergunning in de regel wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de vergunning is ongegrond verklaard.