Uitspraak
200907936/1/H1, is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening. De rechtbank heeft terecht in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat na verloop van een periode van vijf jaar het bedrijf zal zijn verplaatst naar een ander perceel. Het college heeft zich in dit kader op het standpunt kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat de andere, reeds langer bestaande, bedrijfshal ten gevolge van een tussen de gemeente en [appellant] tot stand gekomen overeenkomst niet meer mag worden gebruikt na 1 november 2012, niet maakt dat [appellant] het gebruik van de onderhavige bedrijfshal vanaf die datum ook daadwerkelijk zal staken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat aan de hand van concrete gegevens niet aannemelijk is gemaakt dat de andere bedrijfshal onlosmakelijk met de onderhavige bedrijfshal is verbonden en dat laatstgenoemde bedrijfshal niet zelfstandig kan worden gebruikt. Bovendien heeft [appellant] ter zitting toegelicht dat ten tijde van het bouwen van de aangevraagde bedrijfshal, vanwege de fysieke omvang van het productieproces, geen uitwijkmogelijkheden naar een ander perceel bestonden en dat de op het perceel aanwezige bedrijfshallen om die reden ook thans nog in gebruik zijn voor de productie van hoedliggers. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat het handhavend heeft opgetreden tegen de onderhavige bedrijfshal, anders dan [appellant] kennelijk betoogt, juist een aanwijzing vormt voor het oordeel dat het college geen medewerking wenst te verlenen aan een legalisering door middel van een tijdelijke ontheffing en bouwvergunning.
201012041/1/H1; www.raadvanstate.nl), heeft het college aan [directeur] van [appellant], in een e-mailbericht van 31 augustus 2009 meegedeeld dat, waar het betreft de medewerking aan het tijdelijk uitbreiden van de bedrijfsruimte, het besluit van het college bepalend zal zijn en dat het college volledig de vrijheid heeft om al dan niet met de gedane voorstellen in te stemmen en heeft de bij de gesprekken over de tijdelijke uitbreiding betrokken wethouder schriftelijk verklaard [directeur] in of omstreeks week 38 van het jaar 2009 telefonisch te hebben meegedeeld dat het college niet bereid was toestemming te verlenen voor de realisatie van een (tijdelijke) bedrijfshal op het perceel. Verder is in die uitspraak van belang geacht dat de tussen [directeur] en de gemeente gevoerde gesprekken over het tijdelijk gedogen van de bedrijfshal uiteindelijk niet hebben geresulteerd in een concrete gedoogbeschikking. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat door of namens het college concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan, waaraan [appellant] de rechtens te honoreren verwachting heeft kunnen ontlenen dat door het college een tijdelijke ontheffing en bouwvergunning zouden worden verleend.