ECLI:NL:RVS:2013:974
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering en proceskostenveroordeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister werd afgewezen. Tevens werd tegen hem een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning ongegrond, maar vernietigde het besluit tot het inreisverbod. De staatssecretaris vaardigde daarop opnieuw een inreisverbod uit, waartegen de vreemdeling beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep tegen het nieuwe inreisverbod gegrond was omdat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de duur van twee jaar was opgelegd en onvoldoende gelegenheid had geboden om bijzondere individuele omstandigheden aan te voeren. De Afdeling bevestigde de eerdere uitspraak voor het overige en vernietigde het besluit van 24 april 2012 tot het inreisverbod. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en voldoende gemotiveerde besluitvorming bij het opleggen van inreisverboden en de waarborging van het recht op hoor en wederhoor. Het besluit werd vernietigd omdat het niet voldeed aan deze eisen, wat de rechtsbescherming van de vreemdeling versterkt.
Uitkomst: Het inreisverbod van 24 april 2012 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.