ECLI:NL:RVS:2013:641
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit CBR tot onderzoek rijgeschiktheid na weigering ademtest
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 5 december 2011 een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid op, nadat hij op 25 november 2011 werd aangehouden wegens verdenking van rijden onder invloed en het weigeren mee te werken aan een ademtest. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CBR en vervolgens door de rechtbank Rotterdam ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het proces-verbaal van 25 november 2011, ondanks het ontbreken van de namen van de verbalisanten, betrouwbaar is en dat het niet noodzakelijk is dat afwijkend rijgedrag wordt vastgesteld voordat een ademtest kan worden afgenomen. Appellant betwistte dat hij bestuurder was en stelde dat het proces-verbaal onvolledig en onjuist was, maar deze bezwaren werden verworpen. Ook werd geoordeeld dat de bezwaarprocedure niet in strijd was met artikel 6 EVRM Pro, omdat het hier een bestuurlijke maatregel betreft en geen strafrechtelijke procedure.
Gelet op de wettelijke bepalingen en de feiten concludeerde de Raad van State dat het CBR terecht het onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot onderzoek rijgeschiktheid bevestigd.