ECLI:NL:RVS:2013:2580
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- G. Snijders
- Rechtspraak.nl
Planschadevergoeding na aanleg Westerscheldetunnel en opheffing autoveerdiensten
Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen wees aanvragen van vier appellanten om vergoeding van planschade af, omdat volgens het college het oorzakelijk verband tussen de bestemmingsplannen en de schade ontbrak. De rechtbank vernietigde deze besluiten wegens strijd met artikel 49 van Pro de WRO, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de schade grotendeels samenhing met de opheffing van de autoveerdiensten, waarvoor nadeelcompensatie mogelijk is.
In hoger beroep stelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de wijziging van het planologische regime door de bestemmingsplannen wel degelijk een noodzakelijke voorwaarde was voor de aanleg van de Westerscheldetunnel en daarmee mede oorzaak van de schade. Voor twee appellanten (appellante sub 2 en sub 4) werd geoordeeld dat het college de besluiten op bezwaar onvoldoende had gemotiveerd en dat herstel noodzakelijk was.
Voor appellante sub 1 en De Westerschelde werd vastgesteld dat zij het risico van de planologische wijziging hadden aanvaard door verlenging van exploitatieovereenkomsten, zodat hun schade geheel voor eigen rekening bleef. De Afdeling droeg het college op binnen dertien weken de gebreken in de besluiten voor appellante sub 2 en sub 4 te herstellen, met een nadere deskundigenvergelijking van het planologische regime en een reële prognose van verkeersstromen.
De uitspraak benadrukt het belang van een nauwkeurige causaliteitsbeoordeling bij planschade en de juiste toepassing van de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999, waarbij geen drempel of korting wegens normaal maatschappelijk risico mag worden toegepast als de schade niet volledig anderszins verzekerd is.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt deels de rechtbankuitspraak en draagt het college op gebreken in besluiten voor twee appellanten te herstellen.