ECLI:NL:RVS:2013:2222
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van de referent behoorden
De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 17 februari 2011 de aanvragen van meerdere vreemdelingen en een belanghebbende om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank op 12 september 2012 het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hiertegen hoger beroep in. De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdelingen in Somalië feitelijk tot het gezin van de referent behoorden, die een verblijfsvergunning asiel had. De vreemdelingen stelden dat zij als minderjarige kinderen feitelijk tot het gezin van de referent en haar echtgenoot hadden behoord.
De staatssecretaris voerde aan dat de vreemdelingen en de referent tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd over belangrijke feiten zoals het huwelijk, samenwoning en detentieperioden, en dat de rechtbank ten onrechte verklaringen van de echtgenoot buiten beschouwing had gelaten. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris de afwijzing deugdelijk had gemotiveerd en dat de rechtbank het besluit ten onrechte had vernietigd.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.