ECLI:NL:RVS:2013:186
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- A. Hammerstein
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking visvergunning wegens onvoldoende bewijs overtreding voorschriften
De staatssecretaris van Economische Zaken trok de visvergunning van appellant voor het vissen met vaste vistuigen in de Oosterschelde voor een periode van veertien weken in vanwege het aantreffen van acht geboeide kreeften in kubben die op naam van appellant stonden geregistreerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en beperkte de intrekking tot twee weken, maar de Raad van State vernietigt deze uitspraak omdat het bewijs onvoldoende is dat appellant zelf de overtreding heeft begaan. Appellant heeft betoogd dat hij geen belang had bij het bewaren van geboeide kreeften en dat mogelijk een kwaadwillende derde de kreeften in zijn kubben heeft geplaatst.
De Raad overweegt dat het enkele feit dat de kreeften in de kubben van appellant zijn aangetroffen niet voldoende is om hem als overtreder aan te merken. De staatssecretaris heeft de bewijslast niet voldoende gedragen. Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, de intrekking van de vergunning voor twee weken vernietigd en de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de visvergunning voor twee weken wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van overtreding.