ECLI:NL:RVS:2013:1254
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A.W.M. Bijloos
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-kwijtschelding restschuld na executoriale verkoop woning met NHG
Appellant kocht in 2005 een woning te Rotterdam en sloot een hypothecaire geldlening met Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Na executoriale verkoop in 2009 resteerde een restschuld van €85.186,26, die het Waarborgfonds als borg betaalde aan de geldverstrekker. Het Waarborgfonds weigerde kwijtschelding van deze schuld omdat appellant de woning zonder toestemming verhuurde, wat leidde tot een lagere verkoopopbrengst.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat hij arbeidsongeschikt was geraakt en de woning zonder zijn medeweten was onderverhuurd door zijn neef. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en niet-ontvankelijk voor het deel over de executoriale verkoop, omdat dit een privaatrechtelijke kwestie betreft.
De Raad van State oordeelt dat het Waarborgfonds terecht het bezwaar ongegrond verklaarde. De verhuur zonder toestemming was een schending van de hypotheekvoorwaarden en leidde tot lagere opbrengst. De medische situatie van appellant en de onderverhuur door zijn neef kunnen hem niet baten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-kwijtschelding van de restschuld bevestigd.