Uitspraak
201109489/1/A3), mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van het advies van het Bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.
201102845/1/A3, is de handel in drugs er naar zijn aard op gericht om op geld waardeerbare voordelen voort te brengen en is het een feit van algemene bekendheid dat met de handel in drugs grote winsten kunnen worden behaald. Voor zover [appellant] stelt dat hij geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft overgehouden aan de drugshandel waarvoor hij is veroordeeld, wordt met de rechtbank overwogen dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat de straatwaarde van de drugs die hij verhandelde € 300.000 tot € 400.000 bedroeg. [appellant] heeft zijn stelling, dat de daadwerkelijke opbrengst aanzienlijk minder was en dat hij zijn gehele opbrengst zou hebben besteed aan zijn eigen drugsverslaving, niet gestaafd met stukken die in die richting wijzen. Tevens wordt in aanmerking genomen dat [appellant] in 2006, na zijn vrijlating uit de gevangenis in 2005, [horecabedrijf] heeft gekocht voor een bedrag van € 85.000. [appellant] heeft te kennen gegeven dat hij die € 85.000 in het bijzonder heeft verkregen uit de verkoop van aandelen in een Turkse glasfabriek die hij destijds heeft bekostigd door middel van investeringen in Turks vastgoed. Uit de door [appellant] overgelegde stukken volgt dat de aankoop van die aandelen heeft plaatsgevonden in 1997. [appellant] heeft echter niet inzichtelijk gemaakt hoe hij destijds de investeringen in Turks vastgoed heeft kunnen bekostigen. Dit is in het bijzonder van belang nu uit het vonnis van het Landgericht Oldenburg volgt dat [appellant] is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen in de periode van 1997 tot en met 1999. Onder deze omstandigheden wordt met de rechtbank overwogen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [appellant] moest worden geacht nog steeds aanwezig te zijn, zodat verlening van een exploitatievergunning [appellant] de mogelijkheid zou geven het wederrechtelijk verkregen voordeel alsnog in [horecabedrijf] te investeren. Voor zover [appellant] betoogt dat hiermee het oordeel van het Landgericht Oldenburg niet wordt onderkend, faalt dit. Het Landgericht Oldenburg heeft [appellant] een bedrag van DM 15.939,78 ontnomen, maar heeft hierbij overwogen dat [appellant] met de handel in harddrugs aanzienlijk meer heeft verdiend. Volgens het Landgericht Oldenburg diende echter rekening te worden gehouden met de bescheiden economische situatie van [appellant]. Gelet op de aandelen in de glasfabriek waarover [appellant] naar eigen zeggen ten tijde van het vonnis van het Landgericht Oldenburg beschikte en op de omstandigheid dat [appellant] vlak na zijn vrijlating uit de gevangenis over € 85.000 kon beschikken voor de aankoop van [horecabedrijf], is evenwel aannemelijk dat het Landgericht Oldenburg een beperkt zicht had op de financiële situatie van [appellant].