Uitspraak
201104172/1/R3, is het aanwijzingsbesluit onherroepelijk geworden. Wat betreft artikel 3, lid 3.9.15, van de planregels zijn de rechtsgevolgen van de aanwijzing in stand gelaten, zodat deze planregel geen deel uitmaakt van het plan en is komen te vervallen. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
200905023/1/R3, terecht betoogd dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te bezien of de bouw- en gebruiksmogelijkheden van een natuurbegraafplaats, in verband met de daarbij horende rust en ingetogenheid, zich verhouden met de mogelijkheden van de in de omgeving aanwezige voorzieningen. Dat in artikel 6 van Pro het Blb is bepaald dat de afstand van een graf tot de erfscheiding van de begraafplaats ten minste 1 m bedraagt, ontslaat de raad niet van zijn verplichting om in het kader van een goede ruimtelijke ordening te bezien of had moeten worden voorzien in een zogenoemde piëteitszone. Daarbij had de raad tevens de belangen van het aangrenzende recreatiepark van [appellant sub 2] en het belang van [appellant sub 4] bij zijn woon- en leefklimaat moeten betrekken. Niet is gebleken dat de raad het voorgaande in zijn belangenafweging heeft betrokken. Deze betogen slagen.
201105839/1/R3, volgt uit artikel 14 van Pro het Bevb dat het oprichten van bouwwerken binnen de belemmeringenstrook van een leiding slechts onder de daar genoemde voorwaarden in een bestemmingsplan is toegestaan. De zinsnede "en het bepaalde in 24.2.2" in artikel 24, lid 24.2, onder 24.2.1, van de planregels, gelezen in samenhang met 24.2.2, brengt met zich dat bij recht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een maximale hoogte van 5 m binnen de belemmeringenstrook zijn toegestaan. Dit is in strijd met artikel 14, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bevb. Het betoog van de Gasunie over deze planregel slaagt.
200806140/1/R1), waaruit volgens hen volgt dat alleen als gekozen zou worden voor de minimale variant ernstige vernatting kan worden voorkomen. In dit plan is echter gekozen voor het zogenoemde vrijstromende alternatief en derhalve is ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de cumulatieve waterhuishoudkundige effecten niet zodanig zullen zijn dat ter plaatse geen agrarische activiteiten meer kunnen worden uitgeoefend. Verder voeren zij aan dat de exacte inrichting en gevolgen van de waterberging pas in nog vast te stellen projectplannen worden vastgelegd, terwijl dit bestemmingsplan al wel voorziet in de aanwijzing van het waterbergingsgebied. Zij betogen voorts dat de definitieomschrijving van "waterberging" onjuist is, nu deze niet overeenkomt met de beoogde werking van het waterbergingsgebied, namelijk het overstromen van waterlopen.
201111989/1/A4, dat in een bestemmingsplan alleen de planologische aanwijzing van een gebied tot bergingsgebied wordt vastgelegd. Dit houdt in dat deze aanwijzing als zodanig en de verenigbaarheid van de verschillende op grond van het bestemmingsplan mogelijke functies van het aangewezen gebied in deze procedure aan de orde kunnen komen. De concrete inrichting van het bergingsgebied wordt echter in één of meer door de waterbeheerder vast te stellen projectplannen als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet vastgelegd, waartegen door belanghebbenden rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Dit houdt in dit geval in dat de door [appellante sub 28] en anderen en [appellant sub 29] aan de orde gestelde frequentie en mate van inundatie van hun gronden in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, nu deze aspecten zullen worden vastgelegd in nog vast te stellen projectplannen en niet in dit bestemmingsplan.
201100213/1/R4, overweegt de Afdeling echter dat er nog belang bestaat bij een uitspraak over dit beroep, nu een bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.





