Uitspraak
201011163/1/R1, dat voor de mate van bescherming tegen geurhinder van een voormalige bedrijfswoning die van een bestaande veehouderij is afgesplitst de planologische status van die woning bepalend is. Het voorgaande brengt volgens de maatschap mee dat artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet van toepassing is, zodat voor de beoordeling van de gevolgen van het plan dient te worden uitgegaan van de op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wgv geldende geurnormen. Volgens de maatschap heeft het college ten onrechte niet onderzocht of daaraan kan worden voldaan. Verder is naar haar mening het plan in strijd met de provinciale Verordening Ruimte, die bepaalt dat vrijkomende agrarische bebouwing slechts voor woondoeleinden kan worden bestemd, indien dit geen belemmeringen met zich brengt voor omliggende agrarische bedrijven.
200800903/1, komen alleen geurgevoelige objecten die geen onderdeel uitmaken van de inrichting waarvoor vergunning aangevraagd wordt of kan worden, voor bescherming tegen geurhinder in aanmerking. De Wgv beoogt immers uitsluitend de gevolgen van een inrichting voor haar omgeving te reguleren, zodat de eigen geurgevoelige objecten niet worden beschermd tegen geurhinder van de eigen dierenverblijven.
200900801/1/R3) geldt ten aanzien van de toepassing van de Wgv dat, indien de voor veehouderijen toepasselijke norm wordt overschreden, hieruit niet volgt dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Evenzeer geldt (uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr.
200807852/1/R2) dat, ook indien de voor veehouderijen toepasselijke norm niet wordt overschreden, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.