Uitspraak
200907936/1/H1) is voor toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro vereist dat aannemelijk is dat na het verstrijken van de gestelde termijn geen behoefte meer bestaat aan de tijdelijke voorziening. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel niet komen vast te staan dat de HEMA-vestiging een tijdelijke vestiging betreft, die niet langer dan vijf jaar aanwezig zal zijn. Het college heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat de plannen tot herontwikkeling van de Hazeslinger in voorbereiding zijn en dat die plannen vergen dat de tijdelijke HEMA-vestiging verdwijnt, maar het is onzeker of deze plannen binnen een periode van vijf jaar daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd. Daarnaast is ter zitting gebleken dat nog geen locatie voorhanden is voor een definitieve vestiging van de HEMA op een andere locatie in Breukelen. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat voor een periode van ten hoogste vijf jaar behoefte zal bestaan aan de tijdelijke HEMA-vestiging op het perceel. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college met toepassing van artikel 3.22, eerste lid, van de Wro ontheffing kon verlenen.