Uitspraak
200905473/1/V6is het aan de minister om aan te tonen dat sprake is van een overtreding. De omstandigheid dat aan het boeterapport enkel een administratief onderzoek ten grondslag is gelegd, brengt niet met zich dat de minister niet heeft aangetoond dat [appellante] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. Dat uit het boeterapport niet blijkt op grond van welk onderdeel van de administratie van [appellante] de conclusie is getrokken dat zij de Wav heeft overtreden, laat onverlet dat uit hetgeen onder 2.3.2. is overwogen volgt dat de vreemdelingen de werkzaamheden niet als zelfstandigen hebben verricht. Nu zij die werkzaamheden feitelijk bij [appellante] hebben verricht, is [appellante] vergunningplichtig werkgever en derhalve verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunningen. De rechtbank heeft derhalve ook in zoverre terecht overwogen dat de minister bevoegd was tot boeteoplegging over te gaan. Het betoog faalt.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.