ECLI:NL:RVS:2012:BV8029

Raad van State

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201201056/2/V6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbRijkswet op het Nederlanderschap
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake weigering Nederlanderschap na bezwaar en beroep

Bij besluit van 10 november 2010 heeft de minister van Justitie het verzoek van verzoeker om het Nederlanderschap te verkrijgen afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 april 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en bepaalde dat de minister het Nederlanderschap zo spoedig mogelijk aan verzoeker moest verlenen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde dit verzoek op 13 februari 2012.

De voorzitter oordeelde dat niet op voorhand kon worden uitgesloten dat het hoger beroep succesvol zou zijn en dat de gevolgen van het verlenen van het Nederlanderschap aan verzoeker, zoals kiesrecht en paspoortverstrekking, moeilijk te herstellen zouden zijn indien het hoger beroep gegrond zou worden verklaard. Hoewel verzoeker belang had bij spoedige uitvoering vanwege spanningen, was dit belang niet zwaar genoeg om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

Daarom bepaalde de voorzitter dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen en dat de uitspraak van de rechtbank niet direct hoeft te worden uitgevoerd zolang het hoger beroep loopt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De minister hoeft het Nederlanderschap niet te verlenen voordat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

201201056/2/V6.
Datum uitspraak: 27 februari 2012
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister),
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 december 2011 in zaak nr. 11/1152 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 november 2010 heeft de minister van Justitie het verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 20 april 2011 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 april 2011 vernietigd, het besluit van 10 november 2010 herroepen en bepaald dat de minister er zorg voor dient te dragen dat zo spoedig mogelijk aan [verzoeker] het Nederlanderschap wordt verleend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2012, hoger beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft de minister de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 februari 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep aan de aldus bestreden uitspraak geen gevolg hoeft te geven.
2.2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter valt niet op voorhand uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Voorts is de minister, indien het verzoek niet wordt toegewezen, gehouden er zorg voor te dragen dat aan [verzoeker] het Nederlanderschap wordt verleend. De gevolgen daarvan, zoals het verkrijgen van het actief en passief kiesrecht, het verstrekken van een paspoort, de registratie in de gemeentelijke basisadministratie en de verantwoordelijkheid van de minister voor het verblijf van [verzoeker] in het buitenland, zullen bezwaarlijk zijn te redresseren.
[verzoeker] heeft ter zitting aangevoerd er belang bij te hebben dat de minister uitvoering geeft aan de aangevallen uitspraak voordat op het hoger beroep is beslist, omdat de onzekerheid over het Nederlanderschap voor veel spanning zorgt bij hem en zijn gezin. De voorzitter acht dit belang, in het licht van het hiervoor overwogene, niet van zodanig gewicht, dat dit noopt tot het spoedig gevolg geven aan de aangevallen uitspraak. De voorzitter overweegt voorts dat deze voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor de beoordeling van de door [verzoeker] betrokken stelling, dat de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel niet is aan te merken als een sanctie in de zin van de toelichting op de Rijkswet op het Nederlanderschap. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Groenendijk
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2012
164.