ECLI:NL:RVS:2011:BU8907

Raad van State

Datum uitspraak
21 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201106940/1/H3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing vergunning voor urnenbewaarplaats in Druten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep dat is ingesteld door [appellant A], [appellant B] en [appellant C] tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2011. De rechtbank had eerder een aanvraag van [belanghebbende] voor een vergunning voor het in gebruik nemen van een bewaarplaats voor urnen afgewezen. Het college van burgemeester en wethouders van Druten had deze aanvraag op 26 januari 2010 afgewezen. De Commissie voor Administratieve Geschillen van de provincie Gelderland had echter op 1 juli 2010 het beroep van [belanghebbende] gegrond verklaard en de vergunning onder voorwaarden verleend. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellant A] en anderen ongegrond, waarop zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.

Tijdens de zitting op 7 november 2011 werd de zaak behandeld. [appellant A] en anderen stelden dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, omdat hun woningen zich vlakbij de ingang van het landgoed bevinden waar de urnenbewaarplaats zou komen. De rechtbank had echter geoordeeld dat zij niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt, omdat de toename van verkeer naar de bewaarplaats niet significant zou zijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter anders. Zij concludeerde dat [appellant A] en anderen wel degelijk geraakt worden in hun persoonlijke belangen, gezien de verwachte toename van verkeer en de nabijheid van hun woningen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van de Commissie werd niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd bepaald dat het griffierecht aan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] werd terugbetaald.

Uitspraak

201106940/1/H3.
Datum uitspraak: 21 december 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en [appellant C], te Horssen, gemeente Druten (hierna: [appellant A] en anderen),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2011 in zaak nr. 10/2959 in het geding tussen:
[appellant A] en anderen
en
de Commissie voor Administratieve Geschillen van de provincie Gelderland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Druten een aanvraag afgewezen van [belanghebbende] voor een vergunning voor het in gebruik nemen van een bewaarplaats voor urnen.
Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de Commissie het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en onder voorwaarde de gevraagde vergunning verleend.
Bij uitspraak van 12 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2011.
De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.
[belanghebbende] en het college hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2011, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, de Commissie, vertegenwoordigd door mr. D.V. Visser-van Rooij, werkzaam bij de provincie Gelderland, [belanghebbende], bijgestaan door T.J. Korevaar, werkzaam bij Rentmeesterskantoor Korevaar, en het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.P.T. Bindels, werkzaam bij de gemeente Druten, zijn verschenen.
Buiten bezwaar van partijen heeft [belanghebbende] ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.
2. Overwegingen
2.1. [belanghebbende] heeft een vergunning aangevraagd voor een bewaarplaats voor urnen (hierna: urnenbewaarplaats). Deze bewaarplaats zal zijn gelegen op het [landgoed] te Horssen, waarvan [belanghebbende] eigenaar is.
2.2. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat [appellant A] en anderen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn aan te merken. Zij heeft daartoe vastgesteld dat de woningen van [appellant B] en [appellant C] vlakbij de ingang van het landgoed liggen en vanuit deze woningen hierop zicht bestaat. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat het verkeer naar het landgoed langs de woningen van [appellant A] en anderen rijdt. Gelet op de omstandigheid dat het de bedoeling is dat acht tot negen keer per week een urn op de bewaarplaats zal worden bijgezet, zal het verkeer volgens de rechtbank in relevante mate toenemen ten opzichte van de huidige situatie.
2.3. Ter zitting van de Afdeling is door [belanghebbende] onweersproken gesteld dat gemiddeld vijf urnen per week op de bewaarplaats zullen worden bijgezet en dat deze bijzettingen veelal slechts worden bijgewoond door naaste familie of vrienden van de overledene omdat het om een tweede moment van afscheid nemen gaat. Op grond van deze gegevens valt volgens [belanghebbende] een toename van het verkeer naar het landgoed van gemiddeld twee voertuigen per dag te verwachten. De Afdeling acht deze verwachting aannemelijk. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de voor de hand liggende route om de urnenbegraafplaats te bereiken langs de woningen van [appellant A] en anderen leidt, nu de route via de Broerstraat weliswaar de kortste is maar, zoals [belanghebbend] ter zitting van de Afdeling onweersproken heeft gesteld, niet de snelste route is. Voorts volgt uit ter zitting door [belanghebbende] overgelegde luchtfoto's van de omgeving van het landgoed en de woningen van [appellant A] en anderen dat deze woningen niet op een zodanige afstand zijn gelegen van de urnenbewaarplaats dat vanuit die woningen hierop direct zicht bestaat.
Onder deze omstandigheden is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellant A] en anderen niet worden geraakt in een persoonlijk belang dat rechtstreeks is betrokken bij de verlening van een vergunning voor het in gebruik nemen van de urnenbewaarplaats en derhalve niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn aan te merken.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 juli 2010 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.6. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant A] en anderen het door hun voor de behandeling van het door hun ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2011 in zaak nr. 10/2959;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 1 juli 2010 van de Commissie voor Administratieve Geschillen van de provincie Gelderland, code 00929175.doc/, niet-ontvankelijk;
IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant A], [appellant B] en [appellant C] het door hen voor de behandeling van het door hen ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.
w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011
280-591.