ECLI:NL:RVS:2011:BU5385

Raad van State

Datum uitspraak
16 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201105540/3/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:20 AwbArt. 18 lid 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boetebesluit in vreemdelingenrecht

Bij besluit van 21 april 2010 legde de minister aan verzoekster een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in, dat beide ongegrond werden verklaard. Vervolgens verzocht zij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het boetebesluit op te schorten.

De voorzitter wees een eerder verzoek af omdat niet aannemelijk was dat verzoekster door het niet schorsen van het boetebesluit in financiële nood zou komen, mede gelet op het positieve bedrijfsresultaat in 2010 en het ontbreken van pogingen tot betalingsregeling. Bij het nieuwe verzoek voerde verzoekster aan dat zij door extra uitgaven, zoals het verhelpen van een lekkage, in een slechte financiële situatie verkeerde en dat een deurwaarder betaling sommeerde.

De voorzitter oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende waren om het eerdere oordeel te wijzigen, temeer omdat verzoekster geen aanvullende financiële stukken overlegde en geen betalingsregeling had gezocht uit principiële overwegingen. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het boetebesluit wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van financiële nood.

Uitspraak

201105540/3/V6.
Datum uitspraak: 16 november 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], gevestigd te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 april 2011 in zaak nr. 10/7155 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2010 heeft de minister [verzoekster] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij besluit van 3 september 2010 heeft de minister het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2011.
Bij brief, bij de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen op 26 juli 2011, heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek ter behandeling aan de voorzitter doorgezonden.
De voorzitter heeft het verzoek bij uitspraak van 12 september 2011, nr. 201105540/2/V6, afgewezen.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2011, heeft [verzoekster] de voorzitter andermaal verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 november 2011, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [vennoot A] en [vennoot C], bijgestaan door mr. F. Kellouh, advocaat te Den Haag, en M. El Majjaoudi, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.A. Huisman, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit tot het opleggen van de boete worden opgeschort totdat op het hoger beroep is beslist.
2.1.1. Bij voormelde uitspraak van 12 september 2011 heeft de voorzitter het eerdere verzoek van [verzoekster] om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen, omdat hetgeen daarbij werd aangevoerd geen grond vormde voor het oordeel dat aannemelijk moest worden geacht dat, indien de rechtsgevolgen van het boetebesluit niet zouden worden geschorst, [verzoekster] in een financiële noodsituatie zou komen te verkeren. Daarbij werd in aanmerking genomen dat uit de stukken die [verzoekster] in hoger beroep heeft overgelegd, is gebleken dat in ieder geval in 2010 sprake was van een positief bedrijfsresultaat, alsmede dat zij geen pogingen heeft ondernomen om een betalingsregeling voor de boete te treffen.
2.1.2. Ter zitting heeft [verzoekster] aangevoerd dat de deurwaarder haar na de uitspraak van 12 september 2011 andermaal heeft gesommeerd de boete te betalen, bij gebreke waarvan verhaalsmaatregelen zullen worden getroffen. Voorts heeft zij aangevoerd in een slechte financiële situatie te verkeren omdat zij uitgaven heeft moeten doen, waaronder betaling van kosten om een lekkage te verhelpen, en daardoor niet in staat te zijn de boete te betalen.
2.1.3. Aangezien [verzoekster] geen andere financiële stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op haar financiële situatie dan reeds bekend waren ten tijde van de uitspraak van 12 september 2011, zijn voormelde omstandigheden niet voldoende om tot een ander oordeel te komen dan is vervat in die uitspraak. Dat zij andere uitgaven heeft gedaan dan de boete te betalen, dient voor haar rekening te blijven. Dat zij geen poging heeft ondernomen om voor de boete een betalingsregeling te treffen, omdat deze volgens haar ten onrechte is opgelegd, is eveneens een omstandigheid die voor haar rekening dient te blijven.
2.2. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.
w.g. Bijloos w.g. Groenendijk
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2011
164.