ECLI:NL:RVS:2011:BU3739
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- N.S.J. Koeman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit schorsing marktvergunning wegens onvoldoende motivering
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam had de marktvergunning van appellant geschorst voor de duur van drie maanden wegens wangedrag op de markt, waaronder het hinderen van marktmeesters en het gebruik van beledigende taal. Appellant maakte bezwaar tegen deze schorsing, maar het college verklaarde deze bezwaren ongegrond. De rechtbank Rotterdam beperkte vervolgens de schorsing tot vier weken.
Zowel het college als appellant stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het college de duur van de schorsing onvoldoende had gemotiveerd, met name omdat de schorsing van drie maanden in dit geval neerkwam op 39 marktdagen, terwijl het college niet had toegelicht waarom dit aantal passend was. Ook werd het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat de duur van de schorsing niet werd afgestemd op het aantal markten waarop de vergunninghouder actief is.
De Raad van State vernietigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van appellant gegrond en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht. Het college had appellant voorafgaand aan de schorsing niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven, maar dit werd niet als schending van belangen aangemerkt omdat appellant en zijn gemachtigde in bezwaar wel zijn gehoord.
Uitkomst: Het besluit tot schorsing van de marktvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en schending van het gelijkheidsbeginsel.