Uitspraak
200907959/1/H1), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 Awb Pro kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. Daardoor zou voor deze personen de beroepstermijn worden verlengd, zonder dat sprake is van verschoningsgronden. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 Awb neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.