Uitspraak
200704307/1en
200606141/1, kan een derde op grond van zijn concurrentiepositie als belanghebbende bij een besluit tot subsidieverlening worden aangemerkt indien de subsidie strekt tot ondersteuning van bedrijfsactiviteiten, uit te voeren binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied als waarbinnen de derde werkzaam is. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de belanghebbendheid van Edufax en Wereldschool bij het vaststellingsbesluit deze rechtspraak terecht als uitgangspunt genomen. Het hanteren van een zelfde toetsingskader bij de beoordeling van belanghebbendheid bij besluiten tot subsidieverlening en -vaststelling sluit aan bij het in titel 4.2 van de Awb neergelegde subsidiesysteem, waaruit volgt dat besluiten tot subsidieverlening en -vaststelling nauw met elkaar samenhangen en deel uitmaken van het proces van subsidieverstrekking. De staatssecretaris gaat met zijn betoog dat de rechtbank eerst had moeten toetsen of een derde een rechtstreeks bij een bestreden besluit betrokken belang heeft alvorens te kunnen toekomen aan de toepassing van die rechtspraak, eraan voorbij dat met die rechtspraak juist invulling is gegeven aan die toetsing voor het zich hier voordoende geval dat een derde op grond van zijn concurrentiepositie stelt belanghebbende te zijn bij een besluit omtrent subsidie. Bij de beoordeling van de belanghebbendheid van een derde bij een besluit tot subsidievaststelling is niet van belang of deze derde bezwaar heeft gemaakt tegen een eerder besluit tot subsidieverlening. Anders dan de staatssecretaris stelt, sluit de enkele omstandigheid dat Edufax en Wereldschool geen bezwaar hebben gemaakt tegen het verleningsbesluit - het oordeel van de rechtbank dat zij daartegen geen bezwaarschrift hebben ingediend is in hoger beroep niet bestreden en hun stelling dat zij niet wisten dat er subsidie was verleend aan NOB is gelet op de brief van 17 oktober 2007 feitelijk onjuist - dan ook niet uit dat zij op grond van hun concurrentiepositie belanghebbenden kunnen zijn bij het vaststellingsbesluit.
200607881/1overweegt de Afdeling dat vaststelling van de procesregels voor de rechtsvorderingen met het oog op de bescherming van de rechten die de rechtzoekenden aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen, bij het ontbreken van een regeling terzake in het Unierecht, een aangelegenheid van de nationale rechtsorde is. Deze procesregels mogen, aldus het Hof, niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Daarvan is in dit geval geen sprake nu in de Awb algemene procesregels zijn opgenomen die gelden voor ieder bezwaar en beroep en die het in de praktijk niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maken om te ageren tegen ongeoorloofde staatssteun. Zoals hiervoor onder 2.5.1 is overwogen volgt uit de brief van Edufax en Wereldschool van 17 oktober 2007 dat zij op de hoogte waren van de subsidieverlening. Tegen het verleningsbesluit en daarmee de volgens hen ongeoorloofde staatssteun hadden zij effectief kunnen opkomen door tegen dat besluit bezwaar te maken, hetgeen zij niet hebben gedaan. Er stonden derhalve voldoende rechtsbeschermingsmiddelen ter beschikking tegen mogelijk ongeoorloofde staatssteun.