ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- D. Roemers
- K.J.M. Mortelmans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenencriterium in coffeeshopbeleid Maastricht in het licht van Unierecht en nationale wetgeving
De zaak betreft het hoger beroep van M.M. Josemans en de burgemeester van Maastricht tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over het ingezetenencriterium in de Algemene plaatselijke verordening (APV) Maastricht, dat niet-ingezetenen de toegang tot coffeeshops ontzegt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van dit criterium met het Unierecht, met name het vrij verkeer van goederen en diensten en het discriminatieverbod. Het Hof oordeelde dat het verbod op toegang voor niet-ingezetenen aan de verkoop van softdrugs geen schending van het Unierecht inhoudt en dat het ingezetenencriterium een gerechtvaardigde beperking is om drugstoerisme en overlast tegen te gaan.
De Afdeling volgt het Hof en oordeelt dat het ingezetenencriterium niet in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet. Wel stelt de Afdeling vast dat het criterium, als gemeentelijke autonome verordening, strijdig is met artikel 3 van Pro de Opiumwet, die de verkoop van softdrugs verbiedt, en daarom onverbindend is. Dit betekent dat het criterium geen wettelijke basis heeft, maar de burgemeester behoudt bevoegdheden tot handhaving op grond van de Opiumwet.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht met verbeterde motivering en wijst het hoger beroep van zowel Josemans als de burgemeester af.
Uitkomst: Het ingezetenencriterium is verenigbaar met het Unierecht en de Grondwet maar strijdig met de Opiumwet en daarom onverbindend; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.