ECLI:NL:PHR:2013:BY5725
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over de verhouding tussen artikel 2.7 APV Amsterdam en de Opiumwet
In deze zaak staat de verhouding tussen artikel 2.7, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Amsterdam en de Opiumwet centraal. Het hof had verdachte veroordeeld voor het zich ophouden op de openbare weg met het oog op het kopen of verkopen van middelen als bedoeld in de Opiumwet. De verdediging stelde dat deze APV-bepaling onverbindend is omdat zij in strijd zou zijn met de hogere regelgeving van de Opiumwet.
De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt dat artikel 2.7 APV Amsterdam is gericht op het voorkomen van overlast en het bevorderen van de openbare orde, terwijl de Opiumwet zich richt op de strafrechtelijke regulering van drugs. Er is slechts een gedeeltelijke overlap tussen de APV en de Opiumwet. De APV regelt ook gedragingen zoals het zich ophouden met het oog op het kopen of verkopen van neppillen, wat niet door de Opiumwet wordt bestreken.
De Hoge Raad stelt dat de strafrechter bij toepassing van de APV moet nagaan of het ten laste gelegde feit reeds door de Opiumwet wordt bestreken. Indien dat het geval is, blijft de APV buiten toepassing. Is dat niet zo, dan kan de APV wel worden toegepast. Een volledige onverbindendverklaring van artikel 2.7 APV is niet aan de orde, mede omdat de gemeentelijke wetgever in haar verordening beperkingen kan opnemen om conflicten met hogere regelgeving te voorkomen.
In deze zaak vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging, omdat de feiten ook onder de Opiumwet kunnen vallen en toepassing van de APV dan niet aan de orde is. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige toetsing door de strafrechter van de toepasselijkheid van gemeentelijke verordeningen naast hogere wetgeving.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging wegens overlap met de Opiumwet.