Uitspraak
200808122/1/R3, komt voor het oordeel of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van een mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin, dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen.
201001014/1/R3is overwogen. Het beroep van [appellant sub 3] is eveneens ongegrond.
201001014/4/R3op het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 28 juni 2010 getroffen voorlopige voorziening. Daarin is overwogen dat de mogelijke besmetting met dierziekten zoals Q-koorts vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat voorziet in woningbouw, maar dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten primair regeling vindt in andere wetgeving en daarnaast aan de milieuvergunning (thans: omgevingsvergunning) voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. In dit geval is de aanwezigheid van de geitenhouderij, die op ongeveer 400 meter van de dichtstbijzijnde voorziene woningen staat, in de belangenafweging betrokken. De raad heeft, mede gelet op genoemde afstand, in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de bouw van de woningen dan aan het behoud van de huidige situatie. Van strijd met het provinciale beleid is geen sprake, reeds omdat het provinciale beleid geen afstandsmaten ter zake voorschrijft.