Uitspraak
200908704/1/H3dat de aan hem opgelegde boete moet worden herroepen omdat de studenten niet fysiek in zijn onderneming zijn aangetroffen.
Raad van State
De minister legde appellant een bestuurlijke boete van €182.400,- op wegens overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm), waaronder onderbetaling van 37 Poolse studenten die werkzaamheden verrichtten in de glastuinbouw. Appellant stelde dat het ging om stages en dat de boete onterecht was vastgesteld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de studenten een arbeidsovereenkomst hadden en dat de boete terecht was opgelegd. Appellant voerde meerdere bezwaren aan, waaronder dat de boete op netto in plaats van bruto bedragen was gebaseerd en dat de studenten niet fysiek in zijn onderneming waren aangetroffen. Deze bezwaren werden verworpen.
De Raad van State bevestigde dat de studenten als werknemers in dienstbetrekking waren en dat de minister de boete binnen zijn discretionaire bevoegdheid passend had vastgesteld. De aangevallen uitspraak en de besluiten van de minister tot wijziging en afwijzing van verzoeken tot herziening werden bevestigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de opgelegde bestuurlijke boete wordt bevestigd.