ECLI:NL:RVS:2010:BO9143

Raad van State

Datum uitspraak
22 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201010130/4/H1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • M.W.J. Sloots
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering handhaving gebruik pand als kantoor en autostalling

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid heeft bij besluiten van oktober en november 2009 het verzoek van een groep omwonenden om handhavend op te treden tegen het gebruik van de begane grond van een pand te Amsterdam als kantoor en autostalling afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het besluit gedeeltelijk vernietigd en het bestuur opgedragen handhavend op te treden tegen het gebruik als autostalling.

Het bestuur handhaafde echter zijn standpunt en verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond. Hiertegen werd beroep ingesteld bij de Raad van State. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij partijen hun belangen toelichtten: de belanghebbende stelde dat staken van het gebruik zou leiden tot huurinkomstenverlies en dreiging van vertrek van een huurder, terwijl omwonenden overlast ervaarden.

De voorzitter oordeelde dat de belangen van de omwonenden niet zodanig spoedeisend waren dat niet kon worden gewacht op de bodemprocedure. Ook werd meegewogen dat een ontwerpbestemmingsplan het gebruik als kantoor en autostalling mogelijk maakt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit om niet handhavend op te treden is afgewezen.

Uitspraak

201010130/4/H1
Datum uitspraak: 22 december 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:
[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2010 in zaak nr. 10/2100 in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid (hierna: het dagelijks bestuur).
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2009, aangevuld bij besluit van 2 november 2009, heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [verzoeker] en anderen van 28 september 2009 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de begane grond van het pand op het perceel [locatie] te Amsterdam (hierna: het perceel) als kantoor en als autostalling afgewezen.
Bij besluit van 25 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [verzoeker] en anderen daartegen gemaakte bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de beslissing om niet handhavend op te treden tegen het gebruik als kantoor van de begane grond van het pand op het perceel, niet-ontvankelijk en dat bezwaar, voor zover betrekking hebbend op het gebruik als autostalling van de begane grond van het pand op het perceel, ongegrond verklaard.
Bij besluit van 8 juni 2010 heeft het dagelijks bestuur het besluit van 25 maart 2010 gewijzigd in die zin dat het door [verzoeker] en anderen tegen het besluit van 16 oktober 2009 gemaakte bezwaar, voor zover betrekking hebbend op de beslissing om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de begane grond van het pand op het perceel, ongegrond wordt verklaard.
Bij uitspraak van 24 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] en anderen daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen de weigering om handhavend op te treden tegen het gebruik van de begane grond van het pand op het perceel als kantoorruimte, het beroep voor het overige gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2010 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak handhavend op te treden tegen een met de bestemming strijdig gebruik van de begane grond van het pand op het perceel als autostalling.
Tegen deze uitspraak hebben onder meer [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2010, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur het door [verzoeker] en anderen tegen het besluit van 16 oktober 2009, gewijzigd bij besluit van 2 november 2009, gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2010, beroep ingesteld.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting, gelijktijdig met zaak nrs.
201010129/4/H1 en 201010129/5/H1, behandeld op 16 december 2010, waar [verzoeker], [gemachtigden] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen en M.G. Spiegelenburg, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. G.H.L. Weesing, advocaat te Amsterdam, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Ter zitting heeft [belanghebbende] toegelicht dat het moeten staken van het gewraakte gebruik ertoe zal leiden dat hij huurinkomsten zal derven en dat [advieskantoor] heeft gedreigd zijn kantoor elders te vestigen.
Ter zitting hebben [verzoeker] en anderen te kennen gegeven dat zij overlast ervaren van het gebruik als kantoor, onder meer doordat personeelsleden van [advieskantoor] in de tuin van het perceel telefoongesprekken voeren.
Naar het oordeel van de voorzitter zijn de belangen van [verzoeker] en anderen niet zodanig spoedeisend, dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
2.3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het ontwerpbestemmingsplan "Museumkwartier en Valeriusbuurt", dat volgens het dagelijks bestuur het gebruik van de begane grond als kantoor en als autostalling mogelijk maakt, ter inzage is gelegd op 23 september 2010.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Sloots
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2010
499.