Uitspraak
200905463/1/H2) dient ingevolge het bepaalde in de beleidsregels afronding van het aantal kinderen dat aanwezig mag zijn in de stamgroepen, zoals in dit geval bij Kindergarden aangetroffen, plaats te vinden op groepsniveau en niet halverwege de berekening per leidster. Eerst aan het einde van de berekening doet zich immers de noodzaak tot afronding voor. Dit betekent voor de leeftijdsgroep van 0-2 jarigen dat twee leidsters maximaal negen kinderen mogen opvangen en dat een groep van tien kinderen door drie leidsters opgevangen moet worden. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk en het college heeft derhalve in beginsel dit beleid in dit geval kunnen toepassen. Wat de concrete toepassing betreft heeft Kindergarden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat zij op een andere, gelijkwaardige of betere wijze aan de kwaliteitsnorm van artikel 50, eerste lid, van de Wko kan voldoen. Voorts heeft Kindergarden niet aannemelijk gemaakt dat de beleidsregels gevolgen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. In het betoog van Kindergarden kan dan ook geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de beleidsregels in dit concrete geval buiten toepassing dienen te blijven. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college de aanwijzing heeft kunnen geven om de regels over de beroepskracht-kind ratio na te leven.
200804079/1), mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij de wederpartij tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Nu Kindergarden geen tegenbewijs heeft geleverd, is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat de ouders wier kinderen in het kindercentrum worden opgevangen niet steeds tijdig en deugdelijk over het te voeren beleid worden ingelicht. In dit verband heeft de rechtbank het oproepen van de voorzitter van de oudercommissie als getuige slechts als voorbeeld van bewijsvoering genoemd. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat ten tijde hier van belang de informatievoorziening voldoende was. De door Kindergarden overgelegde notulen en mailwisseling van de vergadering van de oudercommissie van mei 2008 kunnen niet als voldoende bewijs dienen, reeds omdat hierin slechts staat vermeld dat de "informatieoverdracht een stuk beter loopt" en niet dat de gebrekkige informatievoorziening tot het verleden behoort. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de aanwijzing heeft mogen geven dat Kindergarden in het vervolg de regels over de informatievoorziening aan de ouders moet naleven. Dit betoog faalt dan ook.