Uitspraak
201002066/1/H2.
Raad van State
Het College voor zorgverzekeringen stelde bij besluit van 10 december 2009 de subsidie voor Stichting MEE Plus voor 2007 vast op € 13.453.066,00. MEE Plus maakte bezwaar tegen het besluit, omdat bepaalde kostenposten zoals onderhoud van panden niet in de subsidievaststelling waren meegenomen. Het College wees het bezwaar af bij besluit van 16 april 2010. MEE Plus stelde daarop beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het College terecht bepaalde kosten zoals waardevermindering van het pand Langesteijn en verhuiskosten niet als subsidiabele huisvestingskosten kon aanmerken, omdat de regeling alleen werkelijk gemaakte kosten subsidieert. Wel werd geoordeeld dat onderhoudskosten van panden als subsidiabele huisvestingskosten kunnen worden aangemerkt en dat het College deze kostenpost van € 39.141,00 ten onrechte niet bij de subsidievaststelling had betrokken.
De Raad van State verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 16 april 2010 voor zover deze kostenpost niet was meegenomen. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan MEE Plus.
Uitkomst: Het besluit tot subsidievaststelling 2007 wordt gedeeltelijk vernietigd wegens onjuiste uitsluiting van onderhoudskosten panden en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.