Uitspraak
200206598/1) moet onder een calamiteit worden verstaan een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de betrokkene veroorzaakt onheil. Naar [wederpartij] ter zitting te kennen heeft gegeven dient de in het bouwplan voorziene berging ter vervanging van een aanbouw die bij restauratiewerkzaamheden aan het hoofdgebouw is verzakt en vervolgens op advies van een aannemer is afgebroken. In deze omstandigheid kan evenwel geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de oorspronkelijke aanbouw is verwoest door een onvermijdelijk onheil in de hiervoor bedoelde zin. Gelet daarop dient het bouwplan niet ter vernieuwing van een bouwwerk dat door een calamiteit is tenietgegaan als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. Het betoog van [wederpartij] dat op het bouwplan het in het bestemmingsplan neergelegde bouwovergangsrecht van toepassing is, faalt reeds daarom, nog daargelaten of de oorspronkelijke aanbouw op het peilmoment nog aanwezig was en of het bouwplan kan worden aangemerkt als een vernieuwing als bedoeld in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften. De conclusie is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.