Uitspraak
200805916/1/V6en 3 juni 2009 in zaak nr.
200803230/1.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200701639/1, is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Dat [wederpartij] ervoor heeft gekozen om haar administratie, waaronder begrepen het bewaken van de voor haar geldende verplichtingen voortvloeiend uit de Wav, te laten voeren door een extern accountantskantoor, laat deze eigen verantwoordelijkheid onverlet. Dat, naar gesteld, de overtredingen het gevolg zijn van fouten van dit kantoor, leidt derhalve niet tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid van de zijde van [wederpartij]. Voorts hebben de vreemdelingen in de periodes waarin [wederpartij] voor hen geen tewerkstellingsvergunning had, allen meer maanden ten minste 16 uur per maand gewerkt. Dergelijke werkzaamheden kunnen niet als marginaal van aard worden aangemerkt. De omstandigheid dat [wederpartij] in andere periodes wel over tewerkstellingsvergunningen voor de vreemdelingen beschikte, leidt evenmin tot het oordeel dat de boete dient te worden gematigd, nu die omstandigheid er niet aan afdoet dat eerst op het moment van de verlening van een tewerkstellingsvergunning kan worden geconcludeerd dat de tewerkstelling van de vreemdeling conform de regelgeving is. Het beroep op voormelde Afdelingsuitspraak van 17 juni 2009 faalt, nu geen sprake is van gelijke gevallen. In die zaak had de desbetreffende werkgever reeds aanvragen om tewerkstellingsvergunningen ingediend en had de Centrale organisatie werk en inkomen hem gedurende die aanvraagprocedures medegedeeld dat die vergunningen zouden worden verleend. Ook voormelde Afdelingsuitspraak van 3 juni 2009 leidt niet tot het oordeel dat grond bestaat voor matiging. Van gelijke gevallen is geen sprake, nu het in die zaak onder meer ging om werkzaamheden die konden worden aangemerkt als het verlenen om niet van enige hand- en spandiensten in familieverband. De minister heeft, gelet op het voorgaande, terecht geen aanleiding gezien voor matiging van de boete.