Uitspraak
200505122/1.
200508222/1.
200504740/1is de vergunning van 13 april 2005 onherroepelijk geworden. De in artikel 8.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde termijn waarbinnen, overeenkomstig die vergunning, de inrichting in werking en voltooid diende te zijn liep derhalve tot en met 15 februari 2009.
200505122/1waarnaar [appellant] verwijst, betreft, anders dan in het onderhavige geval de situatie waarin de fundering van de stal was gestort en slechts de mestkelder, de vloer en een aantal dakspanten en een aantal buiten- en tussenmuren waren gerealiseerd. Essentiële voorzieningen zoals de veevoederopslag en het voersysteem, het ventilatiesysteem voor de aan- en afvoer van lucht, het mestafvoersysteem, de ziekenboeg, de spoelplaats, alsmede de nutsvoorzieningen en de brandveiligheids-, verlichtings- en verwarmingsinstallaties waren niet aanwezig. De vergelijking met het onderhavige geval gaat dan ook niet op.
200508222/1waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het houden van een aantal van 10 van de vergunde 300 varkens niet voldoende is om te kunnen spreken van het in werking brengen van de inrichting, gaat niet op, omdat de op 13 februari 2009 aangevoerde 100 vleeskalveren ten opzichte van het vergunde aantal van 800 niet een zodanig klein aantal vleeskalveren betreft dat niet gesproken kan worden van het bedrijfsmatig houden van dieren. Het betoog van [appellant] dat het in deze bedrijfssector ongebruikelijk is dat de vleeskalveren gefaseerd worden geplaatst doet, wat daar verder ook van zij, hier niet aan af.