Uitspraak
200103200/1) in rechte onaantastbaar geworden en de in verband met het niet voldoen aan de herplantplicht opgelegde dwangsom is bij uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2004 (in zaak nr.
200305650/1) eveneens onherroepelijk geworden. De rechtbank is dan ook terecht uitgegaan van de rechtmatigheid van de herplantplicht.
200602976/1), is beoogd de vorige toestand te herstellen, te weten een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.3.2., eerste lid, van de APV van toepassing was. De herplant dient in beginsel dan ook een equivalent te vormen van hetgeen door de eerdere overtreding van het verbod tot vellen verloren is gegaan. Uit de hiervoor vermelde uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2002 volgt dat het college voor de herplantplicht tot uitgangspunt heeft genomen herstel van de oude situatie in overeenstemming met de geldende bestemming "Bos en houtopstanden". Ter zitting is van de zijde van het college nader verklaard dat met de herplantplicht is beoogd recht te doen aan de natuurwaarde van de gevelde houtopstand en de landschappelijke, de beeldbepalende en de cultuurhistorische waarde daarvan. Verplaatsen van de acht dennen binnen drie jaar na de herplant, verdraagt zich hiermee niet. Anders dan [appellant] betoogt, heeft het college de herplantplicht, en daarmee het beoogde herstel van de houtopstand, dan ook terecht in zijn besluitvorming betrokken en het belang daarvan in redelijkheid zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant] bij het verplaatsen.