Uitspraak
200901091/1) en in tegenstelling tot wat Top ter zitting heeft betoogd, komt artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming een zelfstandige en aanvullende betekenis toe, naast de in de vergunning neergelegde voorschriften.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant legde Top Moerdijk Beheer B.V. een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming, gebaseerd op onderzoek waaruit bleek dat het grondwater rondom de inrichting verontreinigd was met nikkel. Top betwistte dat zij de oorzaak was van deze verontreiniging en verwees naar een verhoogd achtergrondgehalte en externe bronnen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het deskundigenbericht en de zienswijzen van partijen beoordeeld. Hoewel het grondwater verontreinigd is, is onvoldoende aannemelijk dat Top de veroorzaker is van de bodemverontreiniging. Het deskundigenbericht gaf aan dat nader onderzoek nodig is om de bron en omvang van de nikkelverontreiniging vast te stellen en dat de bodem onder de inrichting niet volledig onderzocht was.
De Raad oordeelt dat het college onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor de last tot sanering en dat het besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van Top wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot last onder dwangsom wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat Top de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt.