Uitspraak
200602243/1, is op de kaarten bij het besluit van 10 januari 2006 slechts ter indicatie aangegeven waar mogelijk de als kwetsbaar aan te merken gebieden zijn gelegen. Het stond provinciale staten op zich vrij om naar deze kaarten te verwijzen voor de ligging van de voor verzuring gevoelige gebieden, maar de juistheid van de kaarten kan in zoverre in de huidige procedure ter discussie worden gesteld. BMF heeft gemotiveerd betoogd dat de betrokken gebieden en gebiedsdelen voor verzuring gevoelig gebied zijn. Provinciale staten hebben in het verweerschrift gesteld dat de reden dat deze gebieden en gebiedsdelen op de kaarten bij het besluit van 10 januari 2006 niet als kwetsbaar gebied zijn aangemerkt, is dat zij niet zijn gelegen op voor verzuring gevoelige grond, dan wel dat het bossen, natuurterreinen of landschapselementen betreft die zijn aangelegd of begrensd na 1 mei 1988, maar zij hebben ter zitting desgevraagd niet kunnen aangeven welke reden voor welk gebied of gebiedsdeel geldt. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten hun standpunt dat de betrokken gebieden en gebiedsdelen niet als voor verzuring gevoelig gebied kunnen worden aangemerkt onvoldoende gemotiveerd. Als gevolg hiervan berust het besluit van 3 oktober 2008, voor zover het de beslissing betreft tot aanwijzing van de gebieden 170, 175 en 219 als zeer kwetsbaar gebied, alsmede voor zover het de beslissing betreft om de habitatgebieden 'Langstraat bij Sprang-Capelle' en 'Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek', het gebied 'Everland' en de gebieden 191 en 197 niet als zeer kwetsbaar gebied aan te wijzen, in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, niet op een deugdelijke motivering. Het besluit van 3 oktober 2008 is in zoverre bij het besluit van 11 november 2008 ten onrechte goedgekeurd. Deze beroepsgrond slaagt.
200701877/1door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening uitgebracht deskundigenbericht van 10 september 2007 - aan dat de bomenrijen en bosjes geen uitlopers zijn van het ten westen en noordwesten daarvan gelegen bos, dat eveneens als onderdeel van gebied 348 is aangewezen, maar afzonderlijke landschapselementen van minder dan 5 ha vormen. Subsidiair voert zij aan dat de betrokken bomenrijen en bosjes deels B-gebied zijn en om die reden niet, althans niet volledig, hadden moeten worden aangewezen.