Uitspraak
200400753/1. In die uitspraak is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat de raad bevoegd is een voorkeursrecht te vestigen op het perceel van [appellant] hoewel hierop al een voorkeurskooprecht is gevestigd ten behoeve van een ander dan de gemeente. In hetgeen [appellant] thans aanvoert, ziet de Afleiding geen aanleiding om van dat oordeel terug te komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
200803878/1), is bij het vestigen van een voorkeursrecht weliswaar sprake van een inbreuk op het ongestoorde genot van het eigendomsrecht, doch vindt deze inbreuk plaats in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de Wvg. Het wettelijke voorkeursrecht maakt slechts een betrekkelijk beperkte inbreuk op het eigendomsrecht. De vestiging van het voorkeursrecht heeft niet tot gevolg dat [appellant] als eigenaar van het perceel niet langer de hem toekomende eigendomsrechten zou kunnen uitoefenen en houdt evenmin in dat hij verplicht is het perceel te verkopen. Indien hij echter tot verkoop wenst over te gaan dient hij, ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wvg, eerst de gemeente in de gelegenheid te stellen het perceel te kopen. Artikel 14 van Pro de Wvg biedt de verkoper de mogelijkheid bij gedeputeerde staten om ontheffing te verzoeken van de verplichting met de gemeente te onderhandelen over de verkoop, in dier voege dat de verkoper voor zover het het daarbij betrokken goed betreft, de vrijheid zal hebben tot vervreemding hiervan aan derden. De mogelijkheid van [appellant] om het perceel te verkopen aan degene ten behoeve van wie op 1 april 1999 een voorkeurskooprecht op het perceel is gevestigd, is daarmee niet bij voorbaat uitgesloten.
200900336/1/H3), biedt de in de Wvg geregelde procedure in geval van verkoop aan de gemeente voldoende waarborgen ten aanzien van de prijsvorming. [appellant] wordt derhalve niet onevenredig benadeeld in zijn onderhandelingspositie. Voorts heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren, zodat de raad het enkele financiële belang van de grondeigenaren niet meer afzonderlijk bij de besluitvorming behoefde te betrekken.
200803878/1), de systematiek van de Wvg mee brengt dat het op het moment waarop het voorkeursrecht wordt gevestigd, meestal onzeker zal zijn of de geplande ontwikkeling daadwerkelijk zal kunnen worden gerealiseerd. Gelet op het doel van de wet, het verschaffen van voorrang aan gemeenten bij aankoop van grond benodigd voor het realiseren van toekomstige planologische ontwikkelingen, staat deze onzekerheid niet in de weg aan het gebruikmaken van de bij wet gegeven bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht.