Uitspraak
200407562/1, kan volgens de stichting worden afgeleid dat wanneer een exemplaar van een strikt beschermde soort, zoals in dit geval de bever, in het gebied voorkomt, de verbodsbepalingen uit de Ffw van toepassing zijn. Dit betekent volgens de stichting dat de bever, die zich in het plangebied bevindt, is beschermd. De bever kan verstoord worden door recreatiedruk en honden. Door de realisatie van de brug zal volgens de stichting de recreatie en het wandelen met de hond in het betreffende deel van het Wantijpark nabij de Vlij, waar de bever verblijft, toenemen. Verder zal het vaarverkeer in de Vlij moeten wachten totdat de brug opengaat, waardoor de Vlij geheel gebruikt zal worden, zal de brug verlicht moeten zijn en zal een deel van de voor de bever zeer geschikte oevers worden verhard. Op grond van deze omstandigheden kan volgens de stichting worden aangenomen dat artikel 10 van Pro de Ffw zal worden overtreden en dat hiertegen handhavend dient te worden opgetreden.
200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van Pro de Ffw. De minister heeft aan zijn oordeel dat wat betreft de in het gebied aanwezige bevers het verbod neergelegd in artikel 10 van Pro de Ffw niet is of wordt overtreden, onderzoeksrapporten van het Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Bureau Waardenburg, Bilan en Adviesbureau Mertens ten grondslag gelegd. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.8.1. mocht de minister deze onderzoeksrapporten bij zijn oordeel betrekken. De minister is onder verwijzing naar de inhoud van de verschillende onderzoeksrapporten, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van de Afdeling, terecht tot het oordeel gekomen dat wat betreft de bevers geen overtreding heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden van het verbod neergelegd in artikel 10 van Pro de Ffw. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de aanlegfase van de brug maatregelen worden getroffen die voorkomen dat verstoring optreedt van de in de Vlij foeragerende bevers. Voorts is van belang dat het standpunt van de minister dat de aanwezigheid van de brug, mits beperkt verlicht, niet dermate verstorend zal zijn voor de bever dat de Vlij niet meer geschikt is als foerageergebied, wordt onderschreven door een beverdeskundige van de Zoogdiervereniging VZZ. De stichting heeft met het Briefrapport van 10 oktober 2009 van J. Reinhold, niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie van de minister dat de aanwezigheid van de brug niet dermate verstorend is voor bevers dat deze diersoort zich niet zou kunnen aanpassen aan de veranderde omgeving voor onjuist moet worden gehouden. De minister heeft zich voorts onweersproken op het standpunt gesteld dat de bever niet erg gevoelig is voor verstoringen en dat nadat de ingrepen in het betreffende gebied hebben plaatsgevonden reeds nieuwe waarnemingen van de bever zijn gedaan. De door de stichting aangehaalde uitspraak van 20 april 2005, nr.
200407562/1, waarin is geoordeeld dat zodra een beschermde inheemse diersoort voorkomt in het plangebied en opzettelijk verontrust kan worden als gevolg van de uitvoering van het plan hiervoor een ontheffing ingevolge de Ffw is vereist baat haar niet, omdat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat de bever niet zal worden verontrust. Het betoog van de stichting faalt.