Uitspraak
200802820/1nu deze uitspraak nog wordt voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM). Het oordeel van de Afdeling is derhalve nog niet onherroepelijk, aldus [appellante].
Raad van State
Appellant vroeg een huisvestingsvergunning aan voor een woning in Rotterdam, welke door het college van burgemeester en wethouders werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de eis van onafgebroken ingezetenschap van zes jaar in de regio en haar inkomen bestond uit een bijstandsuitkering.
Appellant voerde aan dat het college ten onrechte geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule, omdat zij zich in een noodsituatie bevindt en dat artikel 2.6 van de Huisvestingsverordening Rotterdam 2003 in strijd zou zijn met het EVRM en het IVBPR. De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 2.6 niet onverbindend is en dat het college terecht heeft besloten de hardheidsclausule niet toe te passen omdat geen onhoudbare situatie is gebleken.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de huisvestingsvergunning bevestigd.