ECLI:NL:RVS:2009:BK3632
Raad van State
- Hoger beroep
- C.W. Mouton
- C.H.M. van Altena
- S.F.M. Wortmann
- Rechtspraak.nl
Weigering exploitatievergunning raambordelen wegens onvoldoende zelfstandigheid exploitant
De burgemeester van Amsterdam weigerde op 3 april 2008 vergunningen voor de exploitatie van raambordelen toe te kennen aan de aanvrager, omdat hij aannam dat deze de raambordelen niet zelfstandig zou exploiteren. Dit oordeel was gebaseerd op een bedrijfsplan met irreële omzetverwachtingen, een afhankelijke positie ten opzichte van de verhuurster van de panden, en eerdere mislukte vergunningaanvragen voor dezelfde panden.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit en oordeelde dat het weigeren van de vergunning onvoldoende was gemotiveerd, omdat slechts sprake was van een vermoeden en niet van harde feiten die de aanname konden dragen. De burgemeester stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat voor het weigeren van een vergunning op grond van artikel 1.7, eerste lid, van de APV concrete feiten en omstandigheden nodig zijn die redelijkerwijs aannemelijk maken dat de feitelijke situatie niet overeenkomt met de aanvraag. Hoewel de rechtbank te strenge eisen stelde, oordeelde de Raad dat de feiten en omstandigheden onvoldoende waren om de aanname te dragen dat de aanvrager niet de feitelijke exploitant zou zijn.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de aanvrager.
Uitkomst: Het hoger beroep van de burgemeester wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.