200901938/1/H2.
Datum uitspraak: 11 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 februari 2009 in zaak nr. 08/2495 in het geding tussen:
de Belastingdienst/Toeslagen.
Bij besluit van 7 december 2007 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst) de huurtoeslag van [appellant] voor het jaar 2006 vastgesteld op € 1.942.
Bij besluit van 18 maart 2008 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, gedeeltelijk gegrond verklaard en de huurtoeslag vastgesteld op € 2.078.
Bij uitspraak van 4 februari 2009, verzonden op 13 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2009, waar [appellant], in persoon, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door
mr. B.M.A. van Eck, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.
2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder huurprijs verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, wordt, voor zover thans van belang, in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekenhuur verstaan, de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd verminderd met € 22 per maand voor een garage die bij de woning behoort.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat diende te worden uitgegaan van een rekenhuur waarbij de huurprijs van de parkeerplaats is inbegrepen. [appellant] voert daartoe aan dat er één huurovereenkomst is, waarin het bedrag voor de huur van de woning en het bedrag voor de huur van de parkeerplaats zijn vermeld, en dat separate opzegging van de huur van de parkeerplaats niet mogelijk is. Voorts voert [appellant] in dit verband aan dat ruil van de woning met behoud van de parkeerplaats niet mogelijk is, dat de betaalwijze van de huurpenningen voor woning en parkeerplaats geschiedt op dezelfde bankrekening en dat de procentuele huurverhoging voor de woning en de parkeerplaats steeds identiek is.
2.3. Het betoog faalt. De Wht strekt ertoe - voor zover thans van belang - de huurprijs voor de woning vast te stellen op basis waarvan de huurtoeslag kan worden berekend. De huur van een garage wordt niet gesubsidieerd. Als geen inzicht bestaat in het huuraandeel van de garage in de rekenhuur als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht, wordt die rekenhuur met een bedrag van € 22 per maand verminderd teneinde op basis daarvan de huurtoeslag te berekenen. Nu in de onderhavige zaak de huurprijs van de woning en die van de garage los van elkaar bekend zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de huurprijs van de parkeerplaats niet tot de rekenhuur gerekend moet worden. Hetgeen [appellant] ter ondersteuning van zijn betoog heeft aangevoerd doet hier niet aan af.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009